Geplaatst in Poëzie

Recensie Oogtheater Joris Miedema

Een jaar oud en niet besproken. Dat overkomt meer poëziebundels. Toch verdient Oogtheater – het debuut van Joris Miedema – meer aandacht. Al is het maar omdat het een van de vijfentwintig bundels is die kans maken op de C. Buddingh’-prijs 2012 (geen sterk argument, maar toch …) In dat deelnemersveld biedt Miedema een aparte kijk op het leven, een poëzieakte waarin het absurde en persoonlijke prettig samengaan.

Wie Oogtheater leest, maakt eerst en vooral kennis met een familie: met een vader, moeder, opa, oma, vrouwen. Elk gedicht draait om een personage. In de eerste reeks is dat een vader, de tweede is gewijd aan oma, de derde aan ‘zijn’ vrouw en de vierde aan een ik. Dus een autobiografische bundel denkt u wellicht, maar laten we dat niet hopen. Miedema presenteert namelijk een Addams Family, een familie met bizarre eigenschappen en gedragingen. Men komt bijeen om een uilenbal uit te pluizen, een buurjongen wil vermosselen op de rotsen, opa graaft oma uit de kelder en iemand rijdt een opgezette elandenkop rond in een kinderwagen. Alles is vreemd, vaak macaber en op zijn best ongewoon.

Die vervreemding is een en al taalspel. Miedema gooit metaforen door elkaar, maakt onmogelijke waarheden, en dat alles in klare taal. Miedema gebruikt nauwelijks en liever geen bijvoeglijke naamwoorden, waardoor de verhalen zelf de hoofdrol spelen. Ik vind dat prettig, dat je een poëzie krijgt voorgeschoteld zónder opsmuk. Dat niet elke taalvondst wordt geflankeerd met lyrische (en vaak saaie) uitwijdingen.

Oogtheater is ook een lichamelijke bundel. Het is een komen en gaan van lippen, handen, monden, ogen, vingers, benen en meer. Die lichamelijkheid zet de dichter vooral in dienst van de vergankelijkheid. De dood en de herinnering aan de doden spelen een belangrijke rol. Miedema zet de dood voor schut, maakt hem belachelijk, maar ontkomt niet aan de pijn van het verlies.

Ik snuffelde tussen littekens
en blauwe plekken
maar vond niets
waarmee ik mijn gemis kon vullen

Oogtheater staat dan ook grotendeels in het teken van afscheid nemen. Afscheid van vroeger, afscheid van geliefden, afscheid van een jeugd. Die ontroering, en de humor, en de spitsvondige taal maken dit tot een prima debuut. Mogelijk zelfs tot een prijswinnend debuut.

Ten slotte nog dit, Oogtheater heeft een opvallende cover: een tekening van de vorig jaar overleden striptekenaar Minck Oosterveer. Oosterveer schreef op zijn site dat de gedichten van Joris ‘stripachtig’ lezen en koos voor zijn tekening voor de beginregels van het gedicht Verrijzenis.

We wonen aan het strand en mijn vrouw slaapwandelt
Gister liep ze met haar stofzuiger over zee
ze zei dat ze het schuim van de golven zoog

Oosterveer modelleerde daaruit een rossige vrouw in haar duster, die met haar ogen dicht stofzuigt op een duistere zee (die lijkt op een Japanse prent). Daarmee verbeeldde hij nauwgezet het vrolijke en soms grimmige schouwspel dat Oogtheater uiteindelijk is.