Doen of denken

Het verschil tussen de blogs van Ton van ’t Hof en die van mij, is dat hij schrijft over wat hij denkt en observeert (wat hij met verve doet), waar ik schrijf over wat ik doe. Ik vroeg me ook af waarom en denk dat het komt doordat ik nog werk, bij de politie. Daar is veel over te zeggen, wat ik niet doe. Of ten hoogste voorzichtig. Ik ben me bewust van mijn positie.

Het kan ook zijn dat ik geen originele gedachtes heb.

Over een workshop werkgeluk kan ik wel schrijven. Het was een sessie waar ik weinig aan had, omdat al ik al snel kon vaststellen dat ik behoorlijk tevreden ben met het werk dat ik doe. In dat opzicht was de sessie dan weer wel nuttig. Het is alleen dat je anderhalf uur hoort wat je kunt veranderen als je ontevreden bent.

Met het oog op de taxateur / makelaar die binnenkort langs moet komen, stelde Roos zelf voor om de studio op te ruimen. Die is nu prettig opgeruimd. Er staan vier tassen klaar voor de kringloop. Alsof we ons al voorbereiden op een spoedig vertrek naar Weesp, waarvan echt nog geen sprake is. Het wordt pas serieus als we naar de notaris gaan. Hier graag uw handtekening, kan een fijne zin zijn.

Kleur bekennen

Ik kwam (vast niet als eerste) op de zin: filosofie is religie voor de moderne mens, zonder de regels, waarna ik het idee om dit uit te werken verwierp omdat ik daar niet slim genoeg voor ben. Het begint met zelfkennis.

We bezochten het Van Gogh voor een tentoonstelling over Vincents olijfgaarden en sjokten door naar Etel Adnan en zagen de kunstconnectie niet. Adnan contrasteert hard met kleur, waar Van Gogh dat beduidend minder doet. Kneep ik mijn ogen toe, dan leek het ergens wel op werk van Ton van ’t Hof.

Vrijdag tekenden we ons koopcontract, met allerlei verbindende en ontbindende voorwaarden. De makelaar vroeg of ze een foto mocht maken van het zetten van de handtekening, maar zo sentimenteel zijn Roos en ik niet. Maandag ontmoeten we onze financieel adviseur.

Oranjefront

Natuur in Nederland is begrensd door prikkeldraad en verbodsborden, bleek tijdens onze wandeling naar de Posbank, die we niet mochten betreden. Je denkt dan dat de bewegwijzering ten minste goed is, je kunt het pad immers niet af, maar helaas. Na de Posbank nog tijd voor Doesburg, op aanraden van Ton. Een charmant stadje met te veel bakkers die zich voorbereiden op Koningsdag. Zelfs de AH had vier vitrines vol oranje tompoucen en soesjes. We aten een broodje bij zo’n bakkerij waar een man haastig binnenliep of ze oranje poezen hadden. Morgen wel zei de verkoopster. Op de parkeerplaats liet een bejaarde een reutelende scheet.

Tol betalen in ’t tolhuis

Print is op sterven na dood, impliceerde de bladendokter. Alleen voor de zomervakantie zien publiekstijdschriften een piek. We hadden de dokter over om te praten over de toekomst van onze twee bladen die naar één gaan. En om te praten over wat de toekomst wel brengt, wat hoofdzakelijk online is, en waar ik mij op het werk op richt. De toekomst is ook personaliseren, content steeds meer richten op de individuele afnemer. Prosumer vind ik een grappig woord.

’s Ochtends was er nog een uurtje praten over onbewust of bewust gedrag, wat geen verrassing bood, evenmin dat je buiten je eigen scope moet schrijven.

Op zaterdag trof ik dichtersvrienden Gert, Nanne en Ton voor een lunch in de Tolhuistuin in Amsterdam Noord. We gaven boeken weg (de boekenweek was immers begonnen), bespraken onze afstand tot het literaire circuit, onze kijk erop en we vroegen naar elkaars welbevinden. Het was zeer genoeglijk. Wonder! ik hield mijn pak droog, ondanks de wiebelige serveerster die de drank aan onze tafel verzorgde.

De Nieuwe Ploeg

Op Wikipedia zocht ik naar hedendaagse kunststromingen en kwam nog op het onafhankelijk realisme, wat realisten zijn die hun werk verkopen onafhankelijk van het gangbare kunstcircuit; wat individualistisch is en dus per definitie geen stroming kan zijn.

Ik schrijf dit omdat ik een boek kocht over De Ploeg, een vereniging kunstenaars uit de jaren 1945-55, wier werk mij aanspreekt. En ik dacht aan Ton van ’t Hof die (zo ik er oog op heb) in die traditie schildert, weliswaar op een iPad, maar toch. En ik dacht aan De Nieuwe Ploeg, maar verenigingszin is tanende, of verandert op zijn minst van vorm. Zou een nieuwe kunststroming helpen om de sociale cohesie in ons land te versterken?

Vandaag zijn Roos en ik negen jaar getrouwd, wat we gisteren vierden in restaurant Rijssel, omdat dat vandaag in dat restaurant niet meer kon. Volgeboekt voor drie weken. We gaan nog naar Het Stedelijk, voor onder meer Hito Steyerl. Hito Steyerl is uniek, schrijft het museum, omdat ze in haar werkpraktijk haar welverdiende erkenning en eigen machtsstatus gebruikt om de status quo te doorbreken. Zou ze ooit ergens onderdeel van kunnen zijn?

Vlak voor de lockdown, of we het aanvoelden, waren we bij het open huis van Grafisch Collectief Thoets, waar we twee werken kochten waaronder een iPad-tekening van kunstenaar Steven Toes. Ik sprak hem over zijn werk en we vonden dat iPad-kunst sinds Hockney salonfähig is. Ik was al langer verkocht, door Ton van ’t Hof.

Op het werk was het druk als een malle, alsof alle jaardoelen in de voorlaatste werk gepropt moesten worden. Ik zet mij schrap voor het kerstpiket dat straks begint. Daarom vanochtend nog gewielrend in de miezer, die langzaam misere werd.

Ik kan verrassend genoeg zondag mijn boosterprik halen, in Purmerend.

Natuurlijk ligt de fotocursus drie weken stil, of ze komen met een oplossing – ik vermoed in Teams – wat me matig zal bevallen. Maar vooruit. Afgelopen donderdag een dag (het kon veilig werd ons verzekerd, maar afstand houden ho maar) op kantoor, met het team om te praten over volgend jaar, wat ons dwarszit en wat we dan wel willen. Ik kreeg voor mijn werk voor de site een gratificatie, wat een aangename verrassing was op een al geslaagde dag. Onder redacteuren is het fijn toeven.

Ik sprak al eerder over het dichtersclubje dat ik deel met Nanne, Ton en Gert, allen met pensioen dus zeeën van tijd voor creativiteit. Ton schildert vooral, Nanne geeft (fraaie bundels) uit en Gert blijft verrassen met nieuw werk. Ik las een gedicht uit zijn nieuwste bundel (werktitel Naakt en bewogen) en raakte echt ontroerd. Potdomme. Het zal toch niet de decembermaand zijn? Ik ontvankelijk voor…

We gaan naar Weimar, zei ik tijdens de buitendijkse wandeling, daarna kort naar Dresden en tot slot naar Pirna, om te wandelen langs de Malerweg. Dan moet je de uitzendingen van Boudewijn Büch bekijken, zei Ton. Vooral zijn bezoek aan het graf van Goethe, dat in Weimar ligt. Ik zag Boudewijn in de grafkelder zich tussen het ijzeren hek wurmen om de kist van Goethe aan te raken en nog eens, want de beveiliging was er af, zei hij genietend.

Na de wandeling, aan de door Hennie rijk gedekte tafel, onder het bladendek van Brantgum, spraken Nanne, Gert, Ton en ik over ditjes en datjes, over gezondheid, het pensioenleven (de heren zijn al zover) en poëzie. Heb je nog iets lopen, is steeds de vraag, maar alleen Gert is productief, met zeer binnenkort een essay, volgend jaar nog één en een bundel, meende ik te horen.

Later kreeg ik het idee om Awater in zijn geheel om te zetten naar cijfers, met de A op 1 en zo voort. Awater wordt dan 123120515, wat saai is en conceptueel zwak. Streep erdoor.

De weg terug naar Amsterdam werd door alle stortbuien een tour de force.

De oude dame had een zakje met hondenpoep in haar hand, dat ze in de postbus wilde stoppen, ware het niet dat haar dochter dat voorkwam. Roos kreeg de avond van het incident op de sportschool een telefoontje of alles goed ging en zo nee, dan kon Slachtofferhulp iets betekenen. Ik vond dat netjes.

De werkweek lag op apengapen. Ik schreef een bericht over een onbekende dode die na 27 jaar is herkend, wat die week mijn enige wapenfeit was.

Het sporten gaat weer goed, het diëten ook, hoewel ik soms de verleiding van drop niet kan weerstaan. Van 92,3 kilo ben ik beland op 90,8. Nog een paar onsjes, wat dit weekend niet gaat lukken. Als heel Nederland zuidwaarts gaat, rijd ik naar het Noorden, voor een ontmoeting met mijn dichter-vrienden Ton, Gert en Nanne. Ook mannen met korte namen, zie ik nu. We ontmoeten elkaar op een landweg, voor het wad, in Friese omstandigheden. Voor poëzie hoeven wij niets op papier te zetten.


Vriend Ton hield zich in zijn blog aan de feiten, wat ik ook besloot te doen. Mijn achillespees is nog gevoelig dus voorlopig geen bodycombat maar fietsen; vrijdag 82 kilometer, gisteren 75. De tweede keer was het te warm.

Feit: gisteravond rommelde het in mijn maag, waarna ik snel naar het toilet moest voor een soort wraak van Montezuma. Vannacht overviel de schurk mij opnieuw. Mijn hemel, wat kan een mens stinken. Ik kan het niet verbloemen.

Het is druk met werk, wat gebruikelijk is voor de zomer. Dan neem ik diensten en klussen over van vakantiegangers. En vorige week was het natuurlijk bal met de dood van Peter Rudolf de Vries en de watersnood in Limburg. Dat ebt bij ons gerust weekjes door.

Feit: we bezochten fotomuseum Foam. Daar was een tentoonstelling van nieuw talent. Wat ons betreft: kwaliteit doet er niet meer toe. Het gaat er om dat je een verhaal hebt. Een verhaal met een boodschap. De bezoeker die gewoon verrast wil worden, die geen standpunten opgelegd wil krijgen, komt er karig af.

Het is maandag. Naar het zich laat aanzien wordt het straks avond, waarna de nacht. Dat zijn feiten waar ik weinig aan kan veranderen.

Sinds 18 november geen bericht? Logisch als je niet meer meemaakt dan werk. Op het verschijnen van Abduraman na. Een in mijn ogen zeer coherente bundel, wat een dodelijke kwalificatie kan zijn, maar in dit geval niet opgaat. Er is eenheid, prettige eenheid die je langs het leven van Abduraman en een alter ego voert. Er zit seksualiteit in (Ton van ’t Hof noemde dat ooit de rode draad in mijn oeuvre), enkele diepere gedachten, beetje humor en er staan ook gewoon sterke zinnen.

Er waren wat dingen op het werk waar ik jullie niet mee lastig val, omdat het ging over bijeenkomsten die op voorhand leuk zouden zijn. Bij deze munt ik het nieuwe woord: blijeenkomst. Mijn personal training loopt op zijn eind en brengt me inmiddels op de 92,3 kilo (begon op 98,7). Nog vijf lessen te gaan. Ik ben wel klaar met dit strikte leven, van elke calorie tellen en de lekkere trek negeren. Mijn trainer wil heel graag dat ik doorga en bedacht voor de volgende sessies een eiwitrijk dieet (voor meer spieren) maar ik houd het voor gezien. Omdat het bar veel geld kost en omdat ik de lessen ook zelf in de praktijk kan brengen.

Had ik al gezegd dat Abduraman uit is? Roos wilde een kerstboom en wat denk je: we hebben er een. Tradities zijn ons vreemd.

Het zijn donkerbruine veters vader. Nee, ze zijn zwart! Maar je ziet niet goed. Heus, ze zijn donkerbruin. En je wilt toch niet doorlopen met wat je nu hebt? (Drie gebroken eindjes in drie kleuren.). Ze zijn zwart! Van koppigheid en de dingen.

Een vriendin in de Verenigde Staten had op Instagram gepost dat ze had gestemd (Biden). Ze was er trots op, alsof ze een daad had gesteld. Ze verzuchtte dat ze nog eens vier jaar van deze gekte niet aankon. Wij evenmin antwoordde ik. Begin van dit jaar dacht ik dat de jaren twintig konden beginnen, vol vernieuwing, positiviteit en esprit (een beetje tegen de tijdsgeest in). Maar misschien beginnen ze pas als Trump het veld ruimt. Dat er met Biden en Harris een herstel komt van fatsoen, mededogen, misschien wat medemenselijkheid.

Met de personal trainer ga ik volgende week naar les achttien en negentien van de dertig. Leuker nieuws (voor mij zeker) is dat ik mijn poëziereeks heb afgerond en dat ie mag verschijnen bij Gaia Chapbooks van Ton van ’t Hof. Ik ben in mijn nopjes, als een eenogige kat.

Een dag zonder ijdelheid kan blijkbaar ook. Zonder drukmakerij over buikgewicht, spierpijn of een ouwe kop. Een dag vooral om te schrijven en om vader zijn nieuwe rollator te brengen. Met een mini-blog tot besluit waarin ik Ton van ’t Hof armoedig imiteer, zonder zijn finesse of diepgang. Ton schrijft over het geleefde leven, ik heel soms over het te leven leven, zonder hoofdrol.

Vriend Ton mijmerde op zijn blog over de mens die hij nu is en de vele momenten waarop zijn leven anders had kunnen zijn. Ik ging ook peinzen, dacht na over fortuin en ongeluk en wat als ik zus of zo had gedaan, met die en die en wat als ik daar was blijven wonen. Tot een slotsom kwam ik niet.

Laatst zei een goede collega dat ze mij liet razen, toen ik kort na elkaar drie mails stuurde vol teleurstelling over de loop der dingen. Ze zei dat het betrokkenheid aantoont, wat een aanvaardbaar standpunt is. Zou ik me nergens over opwinden, dan is dat een slecht teken. Je moet me goed kennen, voordat je me doorzíet. MopperMark is een facade.

Vandaag zijn klussen gedaan die al jaren wachtten. Lampen in de slaapkamer werden geplaatst, fotolijsten opgehangen, een passpiegel gemonteerd. Geen moeilijke klussen, maar ik heb het gereedschap niet en ik zou er lang over doen. De klusmannen waren in twee uur klaar. Ik babbelde wat met de hoofdklusser over zijn werk, over commissie afdragen en hij vond het fijn dat hij door corona voor de deur kon parkeren. Vlak voor zijn vertrek vroeg hij wat voor werk ik deed, waarna ik politie zei en stukjesschrijver, wat hem een seconde van zijn stuk bracht. Ik vermoed om het politiedeel, ook al hebben bedrijfsjournalisten ook niet zo’n beste naam…

“Ik heb hem écht ontmoet”, zegt Arnold Karskens tegen de journalist van Trouw. ‘Hij zat vlak bij de poort van Kirjat Arba. […] Hij was erg geïnteresseerd in mijn werk. Ik heb hem het artikel opgestuurd en hij heeft nog gereageerd ook, heel positief, maar ik ben die brief helaas kwijtgeraakt. Doodzonde. Een brief van Jezus, wie heeft zoiets? […] Een paar jaar eerder had ik trouwens in Joegoslavië, waar de Serviërs en de Kroaten elkaar bestookten, ook de Heilige Geest al eens ontmoet.”

Een beetje journalist maakt foto’s, opnames, grijpt alles aan om bijzondere ontmoetingen vast te leggen. Niet Karskens. Hij stuurt Jezus een artikel en krijgt een brief terug. Dus hij stuurde zelf per post, anders had hij het mailadres van Jezus gehad. En wie heeft zoiets? Onderwijl vult hij de heilige drie-eenheid aan, want Jezus al ontmoet, de Heilige Geest … nog even en je denkt dat hij de Vader is.

Ik dacht aan de missie van Ongehoord Nederland, dat “amusement wil bieden dat losstaat van het keurslijf van de politieke correctheid die inmiddels in ruime mate de inhoud van het huidige publieke bestel domineert.”

Laatst las ik over het nieuwe decennium, dat veel veranderingen gaat brengen; als the new roaring twenties. De grote bewegingen zijn immers dood of lopen op hun einde, zoals communisme (†) en kapitalisme en we zijn het egocentrisme en cynisme ook wel zat. Wat er voor in de plaats komt? Meer realisme, hoop ik, en dan positief gestemd. Of zoals vriend Ton van ’t Hof het op 1 januari verwoordde:

Ontroerd raken, of contact krijgen met anderen. Of het verheffen van het alledaagse tot een ware kunst. Van dat soort dingen.

Ik ga vanmiddag naar Flachau, een winter ervaren, een weerzien met schoonfamilie en weer een glaasje drinken. Van dat soort dingen.

Ik lees te weinig poëzie, voor de liefhebber die ik ben. Wel lees ik elk nieuw gedicht van Ton van ’t Hof, die de laatste tijd veel goeds produceert, naast het proza dat hij dan blog noemt. Los van dat kan meer poëzie geen kwaad. Omdat het de zinnen verzet en dat heeft elk mens nodig (en dat hoeft niet per se met poëzie). Voor werk bijvoorbeeld. Ik loop al wat jaren mee en weet hoe dingen kunnen gaan. Dan voorzie ik problemen en waarschuw daarvoor om vervolgens te zien dat het zich precies voltrekt als voorspeld. Alleen heb je er niets aan om gelijk te krijgen. Meebewegen is beter.

Roos heeft het gat in onze Japanse rondreis komend voorjaar gevuld. Naar aanleiding van een NRC-artikel over Odawara Art Foundation van Hiroshi Sugimoto (‘Een paradijs, maar dat besef je juist pas als je weg bent. Dan wordt het een vluchtplaats in je hoofd’, schrijft Hans den Hartog Jager) kwam ze uit bij het Shoji Ueda Museum of Photography, in Houki, waarvan alleen al het gebouw uiterst indrukwekkend is. We zochten nog een bestemming tussen Okayama en Osaka in en hebben die nu gevonden.

We aten weer verrukkelijk dit weekeinde. Op zaterdag tarbot met gegrilde groente en op zondag geitenvleessaté met sajoer boontjes. Alles kan een mens gelukkig maken, wist ik: poëzie, zelfkennis en lekker eten bijvoorbeeld.

De reis naar Zwolle moest kalm verlopen, een uurtje treinen en ondertussen genieten van de Oostvaardersplassen, maar in Amsterdam begon een vrouw voor mij aan een lang belgesprek over een driehoeksrelatie. Er was een zij die bedreigde, die de boel verdraaide en besodemieterde en ze moest niet zeuren want ze had toch een vent. Bijna bij Lelystad kreeg het gesprek een draai toen de vrouw zei dat zij op een ander type vrouw viel (degene met wie ze belde) en dat het nooit wat met die ene kon worden. Er was wat geflirt over donker haar en blauwe ogen en dat die andere haar zo goed begreep en dat zij best volwassen was voor haar leeftijd, slim zelfs, maar dat ze iemand nodig had die haar af en toe corrigeerde, want ze zag alles zwart-wit. Het gesprek dommelde in, tot de coupé opveerde door de uitbarsting DAT ZIJ TOCH NIET DEGENE WAS DIE EEN TRIOOTJE WILDE…

Ik ging naar Zwolle voor een weerzien met poëziekompanen Gert, Ton en Nanne, met eerst een bezoek aan De Fundatie. Jeroen Krabbé hing daar met gedroomde paradijzen (blèèègh), er waren Congo Tales (gestileerde edelkitsch, muntte Gert later) en er was een multimediale tentoonstelling over onrust, want de wereld verandert snel en dat wordt weer snel gedeeld, wat voor onrust zorgt, aldus kunstenaar Sticks. Er was een studio waar je naar een rap kon luisteren met de herhalende zin: ‘Moet ik me zorgen maken’, wat wij beaamden.

Daarna het echte doel: bier en wijn, in De Refter, waar we werden geholpen door meiden die wat onbeholpen bedienden. We probeerden dat te compenseren door cool te doen waarna een van de serveersters schmierde ‘dat wij heel speciaal voor haar waren’. Het gesprek ging over gesteldheid, die van ons en die van de poëzie, wat we vervolgden in Bella Napoli, wat een breuk was met de traditie van Chinees. We waren er rond zessen, wat vroeg is, maar de eigenaar vond dat helemaal niet gek. ‘In het weekend zitten we vaak om half vijf al vol.’ Er kwam een vrijgezellengroep binnen, zonder de in Amsterdam gebruikelijke uitdossing van de aanstaande bruid. Ook de dood kwam langs en dat ik als jongste de plicht had een gedicht te schrijven voor aan het graf van mijn vrienden. Het was Allerzielen gisteren, maar daar spraken we niet over.

En dan heb ik in drie dagen zomaar drie keer stevig gesport. Misschien om een beach body te krijgen, voor Barcelona, maar dat concept heb ik jaren geleden al verlaten. Ik moet het doen met wat ik heb: wel fit, maar door de jaren toch wat verstevigd. Heeft vast te maken met het heerlijke eten van Roos.

Van collega Sipke kreeg ik goede tips die me om Gaudi heen leiden. Ik heb weinig op met zijn architectuur, maar Roos wil na jaren van ervoor staan de Sagrada Familia eindelijk vanbinnen zien. Hoor ik die naam dan denk ik steevast aan het album Gaudi dat The Alan Parsons Project in 1987 afleverde. Mijn eerste cd ooit.

Ik zou zo introspectief willen zijn als vriend Ton, die in zijn blog elke dag verslag doet van zijn staat van zijn. Misschien zit ik niet zo in elkaar en overdenk ik te weinig en misschien wil ik gewoon niet weten waar ik in dit leven sta. En dan ben je 53 jaar oud. Maar hee, wel fit.

Taken te doen: een lijst samenstellen van musea die we komende week moeten bezoeken. Controleren of ik nog een zomerbroek heb. Er gaat veel in de kledingzak.

Hannekes Boom was te druk (toeristen hebben het ontdekt) zodat we uitweken naar het terras bij Pension Homeland, wat erg lekker was, zo in de zon, met een speltbiertje uit eigen brouwerij. En ach, zet er nog maar één bij en een portie bitterballen. Ik had het verdiend, vond ik, na een bescheiden fietstocht. En Roos verdient het altijd.

Thuis lag er een pakketje klaar, uit Frankrijk, met de in Amerika gedrukte bundel van Ton van ’t Hof. Later die dag blogde hij dat zijn vader die dag is overleden. Ook een man uit 1933, zoals mijn vader, die nog steeds door het leven rolt; hoewel fragiel. Ik dacht toen aan de dood en vond deze woorden van John Asbery.

Bloeiende dood

Alvast vooruit, beginnend vanuit het hoge noorden, dwaalt het af.
Zijn radijs-sterke benzinedampen zijn waarschijnlijk vergrendeld
in je neusholtes terwijl je weg was.
Je zult het moeten afleveren.
De bloemen leven ​​op de rand van de adem, losjes,
Daar neergelegd.
Het ene onderbreekt het ander,
Of dat er een symmetrie in hun bewegingen zal zijn
Waarmee ieder ook een individu is.

Maar het is hun collectieve leegheid
die een idee verraadt van iets dat niet vernietigd mag worden.
En hierin, door hoeveel feiten we ook zijn gevallen
glinstert daar toch de oude gevel,
Een luchtspiegeling, maar permanent. Eerst moeten we het idee misleiden
naar het bestaan, om het dan te ontmantelen,
De stukken op de wind verstrooien,
Zodat oude vreugde, bescheiden als taart, als wijn en vriendschap
uiteindelijk bij ons zal blijven, gesteund door de nacht
Wiens kunstgreep het zijn uiteindelijke betekenis gaf.

Het origineel

Flowering Death

Ahead, starting from the far north , it wanders.
Its radish-strong gasoline fumes have probably been
Locked into your sinuses while you were away.
You will have to deliver it.
The flowers exist on the edge of breath, loose,
Having been laid there.
One gives pause to the other,
Or there will be a symmetry about their movements
Through which each is also an individual.

It is their collective blankness, however,
That betrays a notion of a thing not to be destroyed.
In this, how many facts we have fallen through
And still the old facade glimmers there,
A mirage, but permanent. We must first trick the idea
Into being, then dismantle it,
Scattering the pieces on the wind,
So that the old joy, modest as cake, as wine and friendship
Will stay with us at the last, backed by the night
Whose ruse gave it our final meaning.

Nieuw verschenen heet de rubriek in het poëzietijdschrift Awater. Mijn nieuwste is net verschenen, dus vermelding in die rubriek leek me passend. Het is een kleine rubriek, met de naam van de bundel, auteur, uitgeverij en verschijningsdatum. Heel veel heeft het niet omhanden. Maar eigen beheer past niet, antwoordde de bureauredacteur, want dan zou de lijst te lang worden. Feitelijk klopt de rubrieksnaam dan niet, zou dan Nieuw verschenen bij erkende uitgeverijen moeten heten, maar ik ben redacteur genoeg om te snappen dat dat niet bekt. Ook weet ik dat het commercieel niet interessant is voor de uitgeverijen die Awater wel voeden om ook eigenbeheerproducties te brengen. Maar dacht ik later, waarom niet? Waarom geen volledige lijst van alle poëzie die die maand is verschenen? Het is extra kopij en dus gemakkelijk voor de redactie. En je laat zien wat er nog meer gebeurt op poëziegebied, zodat je het volgende iets beter kunt claimen:

In poëzietijdschrift Awater – het grootste literaire tijdschrift van Nederland – vindt u nieuws, achtergronden en recensies over poëzie.

Het grootste literaire tijdschrift brengt dus niet al het nieuws over poëzie. Redacties maken keuzes, prima, maar wees opener over die keuzes. Of maak bijvoorbeeld elke maand een minirecensie over een bundel die niet bij de bekende uitgeverijen uitkomt. En dan kun je er met alle bureauredacteuren smalend om lachen, het afbranden voor mijn part, maar je geeft dan meer dichters een podium dan alleen de eigen clan. (Dit probleem stelt Ton van ’t Hof overigens al jaren aan de kaak.)