Geplaatst in Poëzie

Dichters lijken soms op hoarders, dacht ik tijdens het lezen van de bundel ‘het grote roeren’ van Gert de Jager. Ze verzamelen obsessief indrukken, stapelen taal en gooien geen enkele herinnering weg, onder het mom van ‘je weet maar nooit wanneer je het nodig hebt’.

Die verzamelwoede kan bij poëten leiden tot verrommelen en vertroepen, tot bundels waar geen touw aan vast te knopen is, omdat ordening ontbreekt, houvast voor de lezer, zelfs al is die flinterdun. Gert de Jager is van een ander kaliber, een verzamelaar zeker (van beelden, ideeën, herinneringen), maar ook een dichter die zijn ‘troep’ gebruikt en die zichzelf ermee bevestigt (geboren als confessional poet, staat in het begin van de bundel).

Het werkelijke leven spat op als water/ als vuur / als al die andere elementen. Ik zie ze.

en

De lijnen die zich kerven in de huid van de wereld. Ik overzag de kerven en dacht: dit is het.

Zo staan er meer bevestigingen; of beter gezegd, wordt gezocht naar bevestiging, want De Jager zaait twijfel door woorden te herhalen, vaak al in de volgende regel of strofe, en door heel de bundel met ding, licht, lichaam, wereld; vaste punten voor de lezer.  

Ik hoor mijn stem / hoor mijn moeders stem

Ik ben harde, kneedbare materie / of zachte, kneedbare materie.

De vraag is steeds: hebben dezelfde woorden steeds dezelfde betekenis? En wat doet dat met het gedicht of met de lezer? Het is een beetje als het schilderij ‘het verraad van de voorstelling’ van Magritte, beter bekend als ‘ceci n’est pas un pipe’. Wat je leest kan zo zijn, maar is het niet per se. De Jager benadrukt dat ambigue met woorden als schaduwruimte / schaduwhuis, nageslacht / voorgeslacht, daghemel / nachthemel. Woorden en betekenis veranderen steeds van plaats.

Nu ik het zo opschrijf, lijkt het alsof een serieuze bundel is, een dichtwerk waarin alles wordt bevraagd en omstandig wordt beschreven; het grote roeren als het grote leven. De Jagers is in deze bundel zeker beschouwend (op zijn dichtersbestaan?), maar gelukkig heeft hij ook een frivole toon, zoals.

Ik wilde schrijven over een mooie zomer.
Ik wilde hem leven, lamlendig
liggend naast het zwembad
Een bal overgooien.

Of

Lebensbejahung voorbij alle verten.
Alledaagse transcendentie in het radicale centrum:
                                     verzin nog eens wat.

De dichter plaatst zijn frivoliteit en ironie zorgvuldig. Ze geven de lezer op die momenten dat het doordacht of zwaar op de hand lijkt te worden een knipoog. Een subtiele wenk dat het grote roeren ook het kleine roeren kan zijn. Het maakt de bundel bovenal menselijk, geen stand van zaken aangaande de dichter Gert de Jager.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s